Confectie

Najaarssymposium 10 november 2016, RCE Amersfoort

Het tweede symposium van 2016 draaide om Confectie, een onderwerp waar vrijwel iedereen mee te maken heeft. Het brengt gemak met zich mee, maar zorgt ook voor milieuvervuiling en uitbuiting van werknemers. Met een historische terugblik over de opkomst en het succes van confectie in de twintigste en eenentwintigste eeuw werd het onderwerp van alle kanten belicht. Met alle aandacht voor ambacht in combinatie met de modernste technologie werden nieuwe oplossingen voor een duurzame productie besproken. Het was daardoor een inspirerende dag die hoopvol werd afgesloten. Met 136 deelnemers was het een nagenoeg uitverkocht symposium. 

Historicus Klaas Kornaat trapte af met een lezing over de geschiedenis van de oorsprong van de confectie in Nederland, die ten tijde van de industriële revolutie voornamelijk in gang gezet werd door Duitse marskramers die door Nederland trokken. Zij vestigden zich hier en richtten warenhuizen op, zoals C&A, Peek& Cloppenburg en V&D. Met de uitvinding van de naaimachine in de negentiende eeuw vond er een schaalvergroting plaats in de kleermakerij. 
 

Annemarie den Dekker vertelde over Maison Hirsch & Cie, het modehuis dat pas vanaf de jaren 1930 semi-confectie te koop aanbood: modellen die aan de maat van de klant werden aangepast. Renee van der Hoek ging in op het fenomeen kopieerindustrie dat nu actueel is, maar ook al sinds de begintijd van de haute couture een rol speelde. 

Ykje Wildenborg legde uit wat een aantal begrippen uit de confectie van de negentiende eeuw betekenden, waarbij in aanmerking moet worden genomen dat de term confectie toen een ruimere betekenis had dan heden ten dage. Sjouk Hoitsma van Museum Rotterdam ging in op de keuzes die het museum maakt bij het verzamelen van daagse kleding. 
 

Anne-Karlijn van Kesteren vertelde over haar scriptie-onderzoek naar Mac & Maggie, naar aanleiding van een grote schenking van Cora Kemperman (ontwerpster van Mac & Maggie) aan het Centraal Museum. 
Kim Verkens, restaurator bij het Mode Museum in Antwerpen, nam kunststoffen onder de loep om er achter te komen welke problemen zich daar bij voordoen in de collectie van het MoMu. Het degradatieproces verschilt per kunststof, maar neemt meestal 5-10 jaar in beslag. Met behulp van Fourier Transform-Infrared Spectroscopy (FTIR) zijn alle materialen gedetermineerd. 
 

Eve Demoen legde aan de hand van de tentoonstelling Haute-à-Porter in Modemuseum Hasselt uit hoe ontwerpers de grens tussen haute couture, couture en prêt-à-porter ervaren. 
De laatste twee presentaties keken op een hoopvolle manier naar de toekomst. Ista Boszhard van de Waag Society gaf verslag van het project Textile and Clothing Business Labs, waar met mensen uit verschillende hoeken naar innovatie binnen de textielindustrie in Europa wordt gekeken. 

Ontwerpster Daisy van Groningen vertelde hoe van textielafval nieuwe moderne producten gemaakt worden bij I-DID slow fashion. 

Tekst: Leonie Sterenborg 
Foto's: Piet Noordermeer